2015 – Toespraak Kamp Vught

Toespraak door Hella de Jonge 7 juni 2015 in Nationaal Monument Kamp Vught bij de herdenking van de kindertransporten, juni 1943.

Foto: Jan van de Ven

Maart 2012 sta ik in Amsterdam bij een solidariteitsbijeenkomst voor de slachtoffers van de Syrische burgeroorlog achter de microfoon. Strijdlustig begin ik aan mijn verhaal over kinderen geboren na de Tweede Wereldoorlog. Een gevoel van machteloosheid grijpt me naar de keel als na mij een jonge man vertelt hoe hij gevlucht is voor het Assad-regime en zijn ouders en zusje heeft moeten achterlaten. Hij weet niet waar ze zijn. Zijn verhaal verschilt weinig van de geschiedenis van mijn ouders. Hij wijst op een groot scherm naar een foto. Een zandvlakte. Zijn aanwijsstok raakt een grote kuil gevuld met opgestapelde ontklede mensen. Tussen de massa ontwaar ik een kind. De jongeman huilt en stamelt in gebroken Engels: ‘We hebben de doden nooit kunnen begraven.’ Het is alsof ik mijn vader hoor treuren. ‘We hebben de doden nooit kunnen begraven.’ Aangedaan verberg ik mijn gezicht achter mijn handen.
Mei 2013 zit ik naast mijn vader aan de eettafel in zijn woning in Amsterdam. Twee camera’s staan op ons gericht. Ik probeer voor een documentaire die ik aan het maken ben mijn familiegeschiedenis te doorgronden. Ik tracht met mijn vader, die inmiddels negentig jaar is, te praten over pijnlijke onderwerpen waarover hij zijn hele leven gezwegen heeft. Tijdens mijn speurtocht voor de film stuitte ik via internet op een boekje van het Barlaeus Gymnasium.
‘Niet voor de school, niet voor het leven.’
Daar stond een pagina over mijn ouders in. Door die bladzij te lezen was ik erachter gekomen dat ik vernoemd was naar een klasgenootje van mijn vader. Hella Simonis.
Ik laat hem het boekje zien. Hij wist van het bestaan van het boekje maar had mij daar nooit van op de hoogte gebracht. Er stond ook een foto van Hella bij. Een mooie jonge vrouw met verpleegstersschort en een wit kapje op haar donkere krullen. Rondom haar zitten vijftig kleine kinderen met witte schortjes. Geconcentreerd bekijken we de zwart-wit foto. Vrolijke gezichtjes, huilende smoeltjes. Bange kopjes. Eén kind met een pop tegen zich aangedrukt. Ik vraag mijn vader een stukje voor te lezen. Op kalme toon begint hij: ‘Eén van hun dochters hadden ze Hella genoemd, naar Hella Simonis, een joods meisje dat ook op het Barlaeus zat. Zij kwam in 1934 in klas 1b. Ik heb haar eindexamen niet kunnen vinden. Hella Simonis werkte tijdens de oorlog in het joodse weeshuis tegenover de Hollandse Schouwburg aan de Henri Polaklaan. Zij had ongeveer vijftig joodse kinderen onder haar hoede. Toen deze kinderen in 1943 gedeporteerd werden is ze vrijwillig meegegaan. Allen zijn in Sobibor vergast.’
Mijn vader kijkt op en zegt: ‘Zij was een heldin.’
We zwijgen.
Ik open de klep van mijn computer. Ik wil hem een fragment laten zien van het materiaal dat ik reeds gemonteerd had en vraag: ‘Durf je het aan?’
Hij kijkt me met zijn doorleefde ogen aan en zegt overtuigd: ‘Ja.’
Zelf geïmproviseerde kaddishe muziek klinkt uit de speakers. Een mannentenorstem zingt lange treurige tonen. Een foto dwarrelt door het beeld en valt op de besneeuwde aarde. Korrelsgewijs sijpelt zand op de foto tot de foto afgedekt is en versmolten met de sneeuw. Een volgende sepia gekleurde foto van een jong meisje in een kort jurkje valt op de sneeuw. Het jurkje wordt afgedekt door het zand. Het is een onbekend meisje met een strik in haar haar. Of is het misschien toch mijn vaders zusje? Tot slot nog een portret. Ik zie mijn vader gebiologeerd kijken. Het is mijn oma van moeders kant. Ze ziet er prachtig uit. Ze draagt parmantig een hoedje. Haar donkere ogen boren zich door het glanzende
papier. Langzaam verdwijnt haar gezicht in het zand. Ik draai mijn hoofd naar mijn vader en duw traag de klep van de computer omlaag.
Tijdens het maakproces sliep ik licht omdat heftige beelden uit de film me uit mijn slaap hielden. Op een nacht werd ik zwetend wakker. Al dromend kreeg ik de opdracht om de portretten van familieleden die ik niet gekend heb op fotopapier in A4 formaat af te drukken. Daarna moest ik de foto’s begraven. Een symbolische handeling waar ik niet onderuit kon. Als door een vreemde kracht gedreven stapte ik akelig vroeg mijn bed uit. Er was die nacht een flink pak sneeuw gevallen. Het was koud. Ik bedacht me dat de kinderzandbak onder de glijbaan van het speelhuisje van de kleinkinderen was afgeschermd met een deksel. Ik pakte een plastic tas. Opende de deksel van de zandbak. Tussen schelpjes en hier en daar bemost zand staken de twee oren van Nijntje die het handvat vormden van het schepje van mijn kleindochter uit. Er lag een emmertje naast. Ik vulde een plastic draagtasje. Het schepje sneed door het kleffe, bevroren zand dat met kleine beetjes op de bodem plofte. Met een goed gevulde tas en de foto’s reed ik naar de studio om de opdracht uit te voeren.
De cameraman filmde een voetafdruk van een hondenpoot in de sneeuw. Een foto viel er naast. Het zand bedekte het spoor. De foto verdween.
Ik hoor mijn vader naast mij diep ademhalen en kijk naar zijn gezicht. Er rolt een traan over zijn wang.
‘Ik wist niet dat ik nog kon huilen.’ Hij zwijgt even. ‘Dat is het precies! We hebben de doden nooit kunnen begraven. Mijn vader niet, mijn moeder niet, mijn zusje niet.’
Het beeld van de Syrische kuil verschijnt als een waas voor mijn ogen en hoor de treurende stem van de jonge man in mijn hoofd. Ik leg een hand op mijn vaders schouder.
Zacht zeg ik: ‘Dat heb ik nu een beetje geprobeerd voor jou te doen.’
‘Dankjewel, dat is lief.’
Moeizaam staat hij op en schuifelend loopt hij naar het dressoir. Behoedzaam trekt hij aan twee knopjes de la open. Hij pakt iets dat in een met bloemetjes bedrukte zijden sjaal gewikkeld is. Omzichtig ontvouwt hij het pakketje. Er komt een klein boekje tevoorschijn. Hij loopt ermee terug naar de tafel en legt het op de glasplaat.
‘Dit is het enige tastbare dat ik nog van mijn zusje heb.’ Aandachtig kijk ik naar de vergeelde kaft. Poesie staat op een bruin leren vierkantje.
‘Het is het poëziealbum van Rebecca.’
Nooit had hij mij verteld dat hij dat in zijn bezit had. Hij opent het album. Er komt een poëzieplaatje te voorschijn met een hond met zilveren glitters op zijn halsband. Ik lees:
Dit album behoort aan Beppie Asser. Jodenhouttuinen 66 2hoog.
Ik heb dit album lief.
Wie hem steelt is een dief
Als ik hem verlies brengt degene die hem vindt terug aan Beppie Asser.
Ik sla de bladzij om.
Op mijn verjaardag kreeg ik een poesje.
En het was o zo’n snoesje.
En ik ben er o zo blij mee.
En op straat gaat het overal mee.
Beppie Asser
16 April 1941 10 jaar.
Weer een poëzieplaatje. Een meisje met bloemetjes in een emmer en een schepje. Rondom het plaatje in de vier hoeken staat:
Ver geet mij niet.
Het is 31 mei 2014. Het schepje en emmertje van mijn kleindochter blijven achter in de zandbak. Zij zal er nooit meer poffertjes mee bakken. Andere kinderen zullen er mee spelen.
We lopen achter het kistje van onze zevenjarige kleindochter dat door zes mannen naar de begraafplaats van ons dorp gedragen wordt. Mijn vader is vlak bij me. Zijn stok maakt een trage zwaaiende beweging. Ik voel zijn adem. We lopen door de laan met bomen. De zon maakt dat er een rij schaduwbomen bij komt. Schoolkinderen vormen een kring rond het graf en leggen bloemen op de aarde. Een meisje heeft het papier met een gedichtje tot een kokertje gerold en er een roze lintje omheen gestrikt. Ze legt het rolletje op de rozen. Het papier is betekend met sterretjes. Op een hartje dat aan het lintje vastzit staat:
Lieve Maggie, ik mis je. Ik vergeet je niet.
Jouw vriendinnetje, Anouk.
Een dikke traan rolt over haar sproeten. De kring wordt groter. Mijn andere kleindochter fluistert: ‘Oma, kindjes mogen toch niet dood.’ Ik aai over haar wang. Ons gezin staat vooraan. Een flinke berg zand ligt klaar om het gat te dichten. Onze kleinzoon mag het teken geven. Dan zakt het kistje naar beneden. Hij lacht, begrijpt nog niet wat er gebeurt. Hij steekt als eerste een schepje in de berg en gooit een hap zand in de diepe kuil op zijn zusje. Daarna doet zijn papa hetzelfde en dan mijn dochter. De moeder. Ik zie haar rug, haar zwarte jurk spant zich om haar schouders. Ze draait zich om en geeft mij het schepje. Ik houd haar hand vast en samen scheppen we en laten het zand naar beneden glijden. In een roes geef ik het schepje aan de volgende persoon door. Het blijkt mijn vader. Vanzelfsprekend overhandig ik hem het schepje. Hij buigt zich voorover, duwt het schepje in het zand, draait zich om, gooit het zand op de kist en schuifelt naar de uitgang. Ik maak me uit de kring van kinderen los en sla een arm om zijn schouder. Hij kijkt me met een betraand gezicht aan en fluistert: ‘Dit is voor de eerste keer dat ik echt iemand van de familie heb kunnen begraven.’
We lopen stilzwijgend langs de andere graven. Beiden met onze eigen gedachten.
Ik sta hier op de plek waar zoveel geleden is. De plek waar bewakers hun medemens als minder dan een dier beschouwden. Waar de negenjarige Koos, las ik in het boek van Janneke de Moei, zijn schepje bij aankomst onmiddellijk moest inleveren. Bij het inpakken van de bagage de avond voorafgaand aan het vertrek uit Groningen had Koos van zijn moeder één speeltje uit zijn speelgoedverzameling mogen uitkiezen. Tussen de auto’s en de beren koos hij voor zijn emmer en schep. Hij zou zandkastelen gaan bouwen waar ze zouden gaan wonen, zijn tante had hem verteld dat het daar mooi was en dat er veel zandvlaktes waren. In de volgepropte trein was de emmer zoekgeraakt. Koos kon zich niet bewegen om het te gaan zoeken. Hij was moe.
Ik zie Koos voor me knielend naast de houten barak omzoomd door een richel zand. Hij graaft met zijn handjes diep in het zand op zoek naar zijn schepje. Hij wrijft in zijn ogen, zandkorrels blijven achter in zijn wimpers. Hij blijft doorwrijven, zijn ogen raken ontstoken, niemand let op hem, niemand komt hem halen. Tranen pus rollen over zijn wangen, zijn moeder komt niet, zijn moeder mag niet komen.
Ik sta op de plek waar de hond van de honden-führer om Koos heen snuffelt. De hond likt het pus van zijn wangen. Koos weet niet dat de hond kan bijten. Hij aait het dier en de hond geeft Koos een poot. De hond blijft naast Koos zitten. Koos graaft dieper in de grond. De hond begint met zijn voorpoten mee te graven. Het wordt een diepe kuil. Koos heeft zijn schep nog steeds niet teruggevonden. Ze graven samen door. Koos springt in de kuil. De hond duikt er naast. Hij likt Koos en Koos aait. Koos hoort een fluittoon en ziet de hond zijn oren spitsen, de hond duikt weg, wringt zijn kop in de schoot van Koos. Koos drukt zich tegen hem aan. Hij hoort voetstappen op het grind. Zou het zijn moeder zijn? Hij steekt zijn hoofd boven de kuil uit en onmiddellijk hoort hij een bulderende stem. De hond springt met een boog uit de kuil. Koos voelt het zand neerkomen op zijn rug. Handen met zand, scheppen
zand. Het wordt donker. Zijn moeder komt niet. Hij wil zijn handen bewegen, het zand wegdrukken. Het wordt stil. Niemand komt. Iedereen is weg. Koos is weg. Niemand zoekt hem meer.
Ver geet hem niet.
Ver geet haar niet.
Ver geet ze niet.